Maar deze week bleek dat Gedeputeerde Staten het helemaal anders ziet. Met verbazing nam ik deze week de woorden van Joke Geldhof tot me. ‘Noord-Holland is koploper in windenergie’, aldus een trotse D66 bestuurder.
Hoe kan je koploper zijn als je opgestelde eis van het Rijk van 685 MW windenergie als een maximum ziet en je daarom een nee moet verkopen aan al die enthousiaste burgers en energiecoöperaties die goede plannen hebben? Hoe kan je koploper zijn als je, bovenop de wetten vanuit Den Haag, nog je eigen windmolenbeleid maakt?
Zo is er bijvoorbeeld een regel dat de afstand tot bebouwing minimaal 600 meter moet bedragen. Dat is twee keer zoveel als de nationale afstandseis en meer dan de afstand die geldt voor bijvoorbeeld een snelweg, chemische industrie of een afvalverbrandingsinstallatie. Al die extra Noord-Hollandse regels maken het realiseren van coöperatieve windmolenparken op veel plekken onmogelijk. Juist op plekken waar brede steun is van enthousiaste bewoners en gemeenten en waar ruimtelijke inpassing geen probleem vormt weigert het provinciebestuur keer op keer vergunningen af te geven.
En de regels hanteert de provincie heel strikt. Zo strikt dat ze in 2012 zelfs een educatieve windmolen voor een basisschool op het Amsterdamse IJburg van amper twee meter hoog verbood. Wat voor enorme weerzin moet je tegen windmolens ontwikkeld hebben als je basisscholen verbiedt om kinderen meer te leren over duurzame energiebronnen?
Forse kritiek
Een brede coalitie, van de SP tot en met zelfs de VVD Amsterdam, van de ChristenUnie tot en met het partijcongres van D66 (die hun Noord-Hollandse partijgenoten tevergeefs maanden tot een soepeler windbeleid), en van tal van Noord-Hollandse gemeenten en wethouders tot en met een scala aan energieclubs uitten forse kritiek op het beleid. Allemaal hekelen ze luid en duidelijk de starre houding van de provincie Noord-Holland. Ze vragen zich terecht af: waarom is 685,5 MW een maximum en geen minimum?
De Noord-Hollandse coalitiepartijen D66, PvdA, CDA en VVD trekken zich tot nu toe niets aan van de kritiek. Ook opvallend: in Provinciale Staten is alleen de PVV het met hen eens. Die vindt het rücksichtslos blokkeren van kansrijke projecten helemaal prima; het klimaatprobleem betitelen zij immers steevast als ‘kletskoek.’
Stimuleer in plaats van frustreer
Roepen dat je tot de kopgroep behoort op het moment dat bekend wordt dat Noord-Holland de doelstelling van het Rijk misschien weleens zou kunnen gaan halen is doorzichtige framing. Niets meer of minder dan een poging om aan de forse kritiek te ontsnappen en het weinig groene imago wat op te vijzelen.
Als je écht tot de kopgroep wil behoren, een zeer lovenswaardig streven (want hoe meer duurzame er wordt opgewekt, hoe beter) moet het roer radicaal om. Dan erken je dat Noord-Holland een nieuwe wind verdient. Als je pretendeert in de kopgroep te horen dan zou je initiatieven van enthousiaste burgers, die zelf voor draagvlak hebben gezorgd, moeten omarmen in plaats van ze te dwarsbomen met allerlei arbitraire regeltjes. Koplopers zien de opdracht van het Rijk als een absolute ondergrens. Koplopers maken geen extra ronduit belemmerende regels.
Want wie alleen koerst op het minimale mag zichzelf natuurlijk nooit tot de kopgroep rekenen.
GroenLinks wil een duidelijke koersverandering op het gebied van windenergie. Lees hier onze plannen.
Rosan Kocken