In het magazine WindNieuws (nummer II, 2015) verscheen een artikel van ons voormalig Statenlid Titia van Leeuwen over het restrictieve windbeleid van de provincie Noord-Holland. De tekst is hieronder te lezen.

Door Titia van Leeuwen

De provincie Noord-Holland heeft haar ontstaan te danken aan windmolens. Zij pompten de meren tot de huidige grote droogmakerijen. En gezien de openheid en ligging aan zee is de provincie bij uitstek geschikt voor windenergie. Noord-Holland heeft dan ook veel met windmolens, maar de afgelopen vier jaar was dat vooral in debat en op papier. In de provincie draaiden vier jaar terug zo’n 330 windmolens van verschillende capaciteit, die samen ook ongeveer  330 MW aan elektriciteit produceren. En nu in 2015 gaat het nog steeds om ongeveer dezelfde hoeveelheden. Wat is er (niet) gebeurd?

De aanleiding: vóór 2011
Bij het aanvragen en plaatsen van windmolens werd in het verleden, ook in Noord-Holland, zelden naar het gebied als geheel gekeken. Door gemeenten werd gereageerd op losse, individuele aanvragen voor windmolens. Daardoor kon een  wat ‘rommelig’ beeld ontstaan. Bovendien werden de windmolens in de loop van de tijd groter, en geplaatst op plekken waar dat beter niet zou zijn gebeurd. Want omwonenden werden zelden betrokken en met een goede inpassing in het landschap werd nauwelijks rekening gehouden. De provincie werkte steeds mee met gemeenten en initiatieven voor de realisatie van windmolens en windparken, en kreeg geleidelijk in de gaten dat er meer regie nodig was. Er werd een windkansenkaart opgesteld met gebieden waar goede kansen voor windmolens liggen, gebieden waar extra zorgvuldigheid nodig is bij de inpassing en gebieden waar windmolens vermeden moeten worden. Maar toen in de aanloop naar de provinciale verkiezingen van 2011 omwonenden van enkele losstaande grotere molens luidruchtig ageerden tegen nieuwe windmolens, gingen politieke partijen daar snel mee aan de haal. Er was een partij die riep dat alle windmolens de provincie uit moesten. En de VVD vertaalde dat in de eigen stellingname: ‘geen enkele windmolen erbij’. Na de verkiezingen werd dit opgenomen in het coalitie-akkoord en daarmee schaarden ook de coalitiegenoten CDA, PvdA en D66 zich erachter. Met een comfortabele meerderheid van 35 van de 55 Statenzetels.

Keerpunt 2011  
De inzet was, om de groei van windenergie in Noord-Holland volledig stop te zetten. Er waren echter ook nog andere werkelijkheden. En de coalitie kwam er geleidelijk achter dat ze niet om die werkelijkheden heen kon. Zo lag er nog steeds een oude afspraak met het Rijk dat er in Noord-Holland in 2015 430 MW aan wind op land gerealiseerd moest zijn. Daarnaast was er in de vorige coalitie een samenwerkingsverband ontstaan tussen Rijk, provincie en de gemeenten in de kop van Noord-Holland. Zij wilden voor die hele kop, in samenwerking met initiatiefnemers, maatschappelijke organisaties en bewoners, locaties voor grotere windmolens zoeken en daarbij de verspreid staande kleine windmolens vervangen.

De nieuwe coalitie veegde dit plan van tafel, al bleef er wel een onderdeel over, namelijk de Rijkscoördinatieregeling voor de Wieringermeer. Een plan voor een windpark van 350 MW, onder regie van het Rijk.

Een derde werkelijkheid was dat in de loop van de jaren in de hele provincie windenergie-initiatieven van de grond waren gekomen. Zij hadden geleerd van het verleden en wilden juist wel de omwonenden direct betrekken en laten participeren. Deze initiatieven kregen nu, behalve in de Wieringermeer, geen voet meer aan de grond. Op een in februari 2012 door GroenLinks georganiseerde conferentie waren vele van de inmiddels zo’n zestig initiatieven aanwezig en stonden voorbeelden van goede samenwerkingen tussen initiatiefnemers en omwonenden centraal. Ook lanceerde Amsterdam daar haar wind-op-land-plan voor zo’n 250 MW, vooral in industrieel gebied.

Juli 2012 voorbereidingsbesluit, alle plannen bevroren

Door de doelstelling voor 2015 en de Rijkscoördinatieregeling moest de provincie de stelling dat er geen windmolen meer bij mocht komen, alsnog aanpassen. In de Wieringermeer mochten er wel windmolens bij. Dat kon niet anders, want dat was een plan waar het Rijk over ging. Verder zou de groei plaats moeten vinden door oude kleine molens te vervangen door grote nieuwe in de Wieringermeer. Niet meer molens, wel meer vermogen. Dit beleid moest vastgelegd worden in de provinciale structuurvisie. In juli 2012 werd daarvoor een voorbereidingsbesluit vastgesteld, dat alle plannen voor windmolens in de provincie buiten de Wieringermeer, een half jaar bevroor.

December 2012: beleidskader vastgesteld
In de laatste vergadering van 2012 stellen Provinciale Staten in meerderheid het beleid definitief vast: alleen ruimte voor nieuwe molens in de Wieringermeer. Vanuit de oppositie werd een advocatenkantoor ingeschakeld dat onderzoek deed naar rechtmatigheid van het beleid. Hun conclusie was dat de onderbouwing van het beleid niet deugde en er strijdigheid bestond met bestaande regelgeving. De bezwaren werden op dat moment door de coalitie terzijde gelegd.

Er was ook nog de landelijke doelstelling van 6000 MW wind op land in 2020. Met het Interprovinciaal Overleg (IPO) was begin 2012 afgesproken dat de provincies die hoeveelheid in eerste instantie onderling zouden verdelen. Een deel ervan werd in het najaar van 2012 verdeeld, waarbij Noord-Holland er 150 MW bij kreeg en dus in 2020 580 MW gerealiseerd moest hebben. Volgens Gedeputeerde Staten zou ook die extra verhoging naar het totaal van 580 MW in het bestaande plan voor de Wieringermeer kunnen. Daarbij werd het aanbod van gemeenten in het zuiden van de provincie, die met name in industriegebieden windmolens wilden, afgehouden met de stelling dat er daar niets bij kon vanwege strijdigheid met normen voor milieu en veiligheid. Dat werd weersproken vanuit de oppositie in de Staten en vanuit Amsterdam, maar dat kon de besluitvorming toen nog niet weerhouden.

Juni 2013: de werkelijkheid keert zich opnieuw tegen het beleid

De ontwikkelingen bleven echter steeds vooruitlopen op het provinciaal beleid. In juni 2013 kwam het onderzoeksrapport ‘Zoeklocaties windmolens Noordzeekanaalgebied’ van Haskoning/DHV uit, waaruit duidelijk werd dat er vanuit milieu- en veiligheidsnormeringen wel ruimte voor de plaatsing van windmolens in het zuiden van de provincie is. Tegelijkertijd werd ook het resultaat van de verdeling van de laatste 285 MW van de 6000 MW voor wind op land tussen de provincies bekend. Hieruit bleek dat Noord-Holland alsnog 105,5 MW extra moest plaatsen. Dat was in tegenspraak met wat  Gedeputeerde Staten steeds had uitgesproken: maximaal 580 MW, te realiseren in de Wieringermeer.  

2014: het tij moet gaan keren
In maart 2014 komt de Structuurvisie Wind op Land uit waarin staat dat de provincies eind juni 2014 hun locaties voor nieuwe windmolens in structuurvisies moeten hebben vastgelegd. Het Rijk houdt de provincies uiteindelijk niet aan die datum. Toch moet de provincie nu echt breder kijken dan de Wieringermeer. Er wordt een MER opgesteld en vervolgens een kaart met zoeklocaties voor nieuwe molens. Voor de nieuwe locaties geldt dat er voor één nieuwe molen twee oude moeten worden ingeleverd en er altijd minstens zes op een rij moeten staan. Voor de afstanden tot woningen wordt steeds 500 meter aangehouden. Op de kaart verschijnen nu ook zoeklocaties in het zuiden van de provincie, waaronder het havengebied van Amsterdam. Doordat de kaart tot stand is gekomen door de stapeling van allerlei algemeen gekozen categorieën (radar, natuur, afstand tot woningen) en niet gekeken is naar de concrete situaties ter plekke, ontstaat de rare situatie dat locaties waar maatschappelijk draagvlak is voor windmolens, grotendeels buiten de zoeklocaties vallen en locaties waar dat niet het geval is, erbinnen. Bovendien blijken sommige op de kaart verschenen zoeklocaties ook al bij voorbaat af te vallen door bijvoorbeeld de nabijheid van Schiphol of een energiecentrale. De meeste initiatieven waar draagvlak voor is bij omwonenden en waar molens met maatwerk goed inpasbaar zijn, vallen buiten boord. In december 2014 wordt het vernieuwde beleidskader door Provinciale Staten vastgesteld.

En nu: 2015
Tussen 2011 en 2015 is er  in Noord-Holland geen enkele molen bijgekomen, en een stuk of vijf molenlocaties die lokaal als hinderlijk worden ervaren en al het verzet genereerden, staan er nog steeds. Er treedt een nieuw effect op. De verspreid staande kleine molens, die meestal niet als hinderlijk worden ervaren, worden namelijk opgekocht door speculanten. Die willen de molens graag overnemen vanwege de regel dat voor een nieuwe molen er twee oude moeten verdwijnen. Daardoor worden de prijzen van oude molens opgedreven en worden de initiatiefnemers bovendien geconfronteerd met de eis van de speculanten dat zij 50% zeggenschap krijgen in het windpark. Ook de regel dat nieuwe molens steeds met z’n zessen op een rij moeten staan, bemoeilijkt de groei. Kleinere initiatieven komen daardoor niet aan bod. Bovendien is in de allerlaatste Statenvergadering de afstandsgrens van 500 meter van molen tot woning verruimd naar 600 meter. Hierdoor viel opnieuw een aantal zoeklocaties van de kaart. Komende periode moeten de plannen voor de nog overgebleven zoeklocaties gemaakt worden. In 2016 wordt het nu vastgestelde beleidskader van kracht. Maar gelet op de ontwikkelingen tot nu toe zal er nog heel wat water naar de zee stromen, voordat er in Noord-Holland daadwerkelijk nieuwe windmolens gebouwd worden en er toch echt in 2020 685,5 MW windvermogen op land staat te draaien.

Vier jaar wind op land in Noord-Holland
Behalve op papier en in debat is er in Noord-Holland de afgelopen vier jaar niets gebeurd. Tegenstanders van windmolens, noch initiatiefnemers van windmolens zijn een stap verder gekomen. Er is geen ongewenste molen weggehaald noch een gewenste bijgekomen. De oude coalitie bleef de werkelijkheid negeren en zo lang mogelijk voor zich uitschuiven. De rijksoverheid liet haar tanden niet zien en het harde verzet van lokale groepen overstemde de lokale wensen van coöperaties, lokale initiatieven en gemeenten. Er liggen dus volop uitdagingen voor een nieuwe coalitie om het gesprek aan te gaan en het beleid te vernieuwen en van restrictief, actief te maken. Draagvlak, maatwerk en participatie zijn de drie termen die wel veel gebruikt worden bij wind op land, maar die nu ook in praktijk gebracht zullen moeten worden.

Geplaatst in http://www.windnieuws.nl/  nummer 2, 2015