De Partij voor de Dieren, GroenLinks en de SP hadden een interpellatiedebat aangevraagd om het College ter verantwoording te roepen inzake het verlenen van de ontheffing voor het vergassen van ganzen rond Schiphol. Lees hieronder de bijdrage van onze fractievoorzitter Alwin Hietbrink.

Dit interpellatiedebat gaat niet over de beste manier om overlast van ganzen te bestrijden. GroenLinks denkt daar principieel anders over als GS: zolang er niets verandert aan de gewassen die rond Schiphol worden verbouwd is het afschieten of vergassen van ganzen volgens ons dweilen met de kraan open. Dit interpellatiedebat gaat ook niet over veiligheid: GroenLinks vind net als (Gedeputeerde Staten) dat de veiligheid van het vliegverkeer gewaarborgd moet zijn. Dit interpellatiedebat gaat volgens ons over de principes van de rechtsstaat.



Politici stellen wetten vast en nemen besluiten en burgers en organisaties kunnen daartegen bezwaar maken en bij de rechter beroep instellen. Als de rechter een uitspraak doet hebben politici zich daarbij neer te leggen, ook als de wet wordt uitgelegd op een manier die de bestuurder niet bevalt.  De vraag die vandaag wat ons betreft voorligt is of Gedeputeerde Staten willens en wetens een ontheffing heeft afgegeven voor de vergassing van ganzen terwijl op voorhand duidelijk was dat die ontheffing bij de rechter geen stand zou houden. Dat is een vraag die ons allemaal aangaat als leden van PS en die verder gaat dan een politieke stellingname over ganzenoverlast of vliegveiligheid. Het raakt de kern van de trias politica en onze rechtsstaat.



Er is geen discussie over de vraag of ganzen bij elkaar gedreven en gevangen mogen worden. Dat is niet toegestaan en gedeputeerde Bond heeft in verschillende media ook kennis gegeven van het feit dat dit verboden is. In het NHD geeft hij aan dat er in TK een wetsreparatievoorstel ligt en de provincie in hoger beroep is gegaan tegen een eerdere uitspraak van de rechter. Praktisch gezien is daardoor het vergassen van ganzen op dit moment onmogelijk, ook daarover is geen verschil van mening.

In het verweer bij de rechtbank stelt de provincie zich op het standpunt dat in dit geval van een andere situatie sprake zou zij omdat de grond voor het afgeven van de ontheffing een andere zou zijn: niet de schade aan landbouwgewassen, maar de veiligheid van het luchtverkeer zou hier in het geding zijn. Daarom is er opnieuw een ontheffing verleend in weerwil van eerdere gerechtelijke uitspraken. 

Naast de vragen van de PvdD die wij van harte ondersteunen willen wij graag weten op basis van welke overwegingen GS van mening was dat een andere grond – veiligheid ipv schade - van invloed zou kunnen zijn op het oordeel van de rechter over het verbod om ganzen bijeen te drijven en te vangen.

Dat verbod steunt op bepalingen uit de Flora- en faunawet waarvan alleen maar kan worden afgeweken ter voorkoming van belangrijke schade (art 67-68 van de Ffw) en dan met middelen die limitatief zijn opgesomd in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren. Het moge duidelijk zijn dat middelen om bijeen te drijven daarin niet zijn opgenomen.

Concreet hebben wij daarom twee vragen:

1)    Op basis van welke overwegingen, wetsartikelen of jurisprudentie was GS van mening dat ook andere gronden dan het voorkomen van belangrijke schade – i.c. veiligheid – ten grondslag zouden mogen liggen aan het verlenen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet.

2)    Op basis van welke overwegingen was GS van mening dat de limitatieve lijst die is opgenomen in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren niet zou gelden als er een andere grond zou zijn voor de ontheffing? Is er wetgeving rondom veiligheid die maakt dat er een andere juridisch kader zou gelden?

We konden geen genoegen nemen met de beantwoording en dienden een motie van afkeuring in.  Hietbrink:  'Ook politici moeten zich neer leggen bij besluiten die de rechter heeft genomen. GS heeft op geen enkele manier duidelijk gemaakt op welke juridische gronden zij dachten dat het vangen en bijeendrijven van ganzen nu wel toegestaan zou zijn.” 

Het provinciebestuur overleefde motie van afkeuring.